Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Douanerechten; artt. 6 tot en met 8 van de Associatieovereenkomst EG-Israël; art. 16 van bijbehorend Protocol 4; reikwijdte begrip vrijhandelszone; voor goederen die vanuit Israël in de Europese Unie worden ingevoerd, geldt alleen een preferentieel tarief wanneer het Protocol daarin zou voorzien; voor in de Europese Unie geproduceerde vrachtwagens, die terugkeren na vier jaar gebruik in Israël, geldt geen preferentieel tarief.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



13 maart 2015

nr. 14/00587

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 19 december 2013, nr. 12/01120, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank te Haarlem (nr. AWB 11/2083) betreffende uitnodigingen tot betaling van douanerechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Op naam en voor rekening van belanghebbende heeft [A] B.V. gedurende de periode april 2006 tot en met juli 2007 aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van vrachtwagens, afkomstig uit Israël (hierna: de vrachtwagens). De vrachtwagens waren gebruikte voertuigen die meer dan drie jaar daarvoor vanuit de Europese Unie naar Israël waren uitgevoerd.

2.1.2.

Bij de hiervoor in 2.1.1 bedoelde invoeraangiften is verzocht om toepassing van een preferentieel tarief van douanerechten op grond van de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël anderzijds (hierna: de Overeenkomst), zoals deze voor de Europese Gemeenschappen is goedgekeurd bij besluit 2000/384/EG, EGKS van de Raad en de Commissie van 19 april 2000 (Pb L 147 van 21 juni 2000, blz. 3). Om de oorsprong te bewijzen zijn bij de invoeraangiften gevoegd door de Israëlische autoriteiten gewaarmerkte certificaten van oorsprong EUR.1 (hierna: de certificaten). Op de certificaten is in het voor vermelding van het land van oorsprong bestemde vak “Israël” als land van oorsprong doorgehaald. Daarvoor in de plaats is handmatig “EEC” of de naam van een lidstaat van de Europese Unie ingevuld.

2.1.3.

De vrachtwagens zijn met toepassing van het preferentiële tarief in het vrije verkeer gebracht. Bij een administratieve controle achteraf heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat niet is voldaan aan de voorwaarden van de Overeenkomst om de vrachtwagens zonder heffing van rechten in het vrije verkeer van de Europese Unie te brengen. Op grond daarvan heeft hij bij de in geding zijnde uitnodigingen tot betaling de meer verschuldigde douanerechten nagevorderd.

2.2.1.

Voor het Hof stelde belanghebbende zich op het standpunt dat de omstandigheid dat de vrachtwagens niet kunnen worden aangemerkt als producten van oorsprong uit Israël in de zin van de Overeenkomst, niet eraan in de weg staat dat deze met een beroep op de Overeenkomst vrij van douanerechten in de Europese Unie kunnen worden ingevoerd. Zij voerde daartoe aan dat de vrachtwagens, die binnen de Europese Unie zijn geproduceerd, als van oorsprong uit de Gemeenschap in de zin van de Overeenkomst kunnen worden beschouwd en vanuit de Europese Unie rechtstreeks naar Israël zijn vervoerd, terwijl deze ook rechtstreeks vanuit Israël weer in de Europese Unie zijn ingevoerd.

2.2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat, gelet op de tekst van artikel 16 van Protocol 4, behorende bij de Overeenkomst en gewijzigd bij besluit van de Associatieraad EU-Israël van 22 december 2005 tot wijziging van Protocol nr. 4 van de Euro-mediterrane overeenkomst betreffende de definitie van het begrip “producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking (Pb L 20 van 24 januari 2006, blz. 1; hierna: het Protocol), de bepalingen van de Overeenkomst enkel van toepassing zijn op producten van oorsprong uit de Gemeenschap die in Israël worden ingevoerd en op producten van oorsprong uit Israël die in de Gemeenschap worden ingevoerd.

2.3.1.

Middel 1 richt zich tegen de hiervoor in 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof en herhaalt het voor het Hof gehouden betoog dat, wat er zij van artikel 16 van het Protocol, in de artikelen 6 tot en met 8 van de Overeenkomst nu eenmaal is vastgelegd dat tussen de Europese Unie en Israël een vrijhandelszone tot stand is gebracht en dat het begrip vrijhandelszone betekent dat tussen de Europese Unie en Israël geen douanerechten of andere heffingen van gelijke werking worden geheven voor zover sprake is van een onderling verkeer van goederen die hun oorsprong uit één van beide landen hebben.

2.3.2.

Artikel 6, lid 1, van de Overeenkomst, opgenomen in titel II ervan, inzake het vrije verkeer van goederen, bepaalt:

“De vrijhandelszone tussen de Gemeenschap en Israël wordt tot stand gebracht overeenkomstig de bepalingen van deze overeenkomst en in overeenstemming met de bepalingen van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel van 1994 en andere multilaterale overeenkomsten inzake de handel in goederen die opgenomen zijn in de bijlagen bij de overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) [...]”

Artikel 7 van de Overeenkomst luidt:

“De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op producten van oorsprong uit de Gemeenschap en Israël met uitzondering van de in bijlage II van het Verdrag tot oprichting van Europese Gemeenschap genoemde producten en in het geval van producten van oorsprong uit Israël met uitzondering van de in bijlage I van deze overeenkomst genoemde producten.”

Artikel 8 van de Overeenkomst bepaalt:

“In- of uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Israël zijn niet toegestaan. (…)”

Artikel 28 van de Overeenkomst luidt:

“Het begrip 'producten van oorsprong' voor de toepassing van de bepalingen van deze titel en de desbetreffende methoden van administratieve samenwerking worden gedefinieerd in protocol nr. 4.”

2.3.3.

In het Protocol zijn de voorschriften vastgesteld betreffende de definitie van het begrip “producten van oorsprong” en betreffende de methoden van administratieve samenwerking.

Artikel 16 van het Protocol, voor zover van belang, luidt:

“1. De bepalingen van de overeenkomst zijn van toepassing op producten van oorsprong uit de Gemeenschap die in Israël worden ingevoerd, en op producten van oorsprong uit Israël die in de Gemeenschap worden ingevoerd, op vertoon van een van de volgende bewijzen van oorsprong:

a. een certificaat inzake goederenverkeer EUR. 1, waarvan het model in bijlage IIIa is opgenomen;

(...)”

2.3.4.

Gelet op het bepaalde in artikel 6 van de Overeenkomst vindt het begrip vrijhandelszone zoals dat wordt gebezigd in de Overeenkomst, zijn begrenzing in de bepalingen van de Overeenkomst.

Het in artikel 8 van de Overeenkomst neergelegde verbod van in- en uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Israël betreft, gezien het bepaalde in artikel 7 van de Overeenkomst, niet alle soorten goederen die tussen een lidstaat van de Europese Unie en Israël worden verhandeld. Voorts is dat verbod slechts van toepassing op producten van oorsprong uit de Gemeenschap en Israël. De verplichtingen die de partijen bij de Overeenkomst zijn aangegaan gelden over en weer, wat - voor zover hier van belang - betekent dat het de lidstaten van de Gemeenschap niet is toegestaan invoerrechten te heffen op aangewezen producten van oorsprong uit Israël en dat het Israël niet is toegestaan invoerrechten te heffen op aangewezen producten van oorsprong uit de Gemeenschap. Dat het verbod van artikel 8 geen verdergaande strekking heeft, wordt buiten twijfel gesteld door artikel 28 van de Overeenkomst in verbinding met artikel 16 van het Protocol . Aangezien het Protocol volgens artikel 80 van de Overeenkomst een integrerend onderdeel vormt van de Overeenkomst, behoort artikel 16 van het Protocol tot de bepalingen die de reikwijdte van de bij de Overeenkomst tot stand gebrachte vrijhandelszone begrenzen. Het gaat in de Overeenkomst derhalve niet om de wijze waarop de Europese Unie producten met oorsprong Europese Unie moet behandelen. Dat strookt ook met het in het douanerecht van de Unie geldende uitgangspunt dat goederen die met een lidstaat als land van oorsprong de Europese Unie verlaten voor de toepassing van het douanetarief hun communautaire status in beginsel verliezen (zie artikel 4, onderdeel 8, van het Communautair Douanewetboek; hierna: het CDW ). Bij terugkeer in het vrije verkeer van de Europese Unie zijn daarom – afgezien van de in artikel 185 van het CDW voorziene vrijstelling – douanerechten verschuldigd naar het gewone (conventionele) tarief. Dit zou anders zijn wanneer de Overeenkomst erin zou voorzien dat voor dergelijke goederen een tariefpreferentie zou gelden. Hiervan is geen sprake.

2.3.5.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.4 is overwogen heeft het Hof terecht in de Overeenkomst geen grondslag gezien voor het oordeel dat de vrachtwagens, die niet van oorsprong uit Israël zijn in de zin van de Overeenkomst, vrij van douanerechten in het vrije verkeer konden worden gebracht. Aangezien de Overeenkomst op dit punt geen ruimte voor twijfel laat, bestaat geen noodzaak een prejudiciële beslissing hieromtrent te vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Middel 1 faalt.

2.4.

De middelen 2 en 3 kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie , geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, E.N. Punt en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2015.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature